Volgens mij ben ik van nature helemaal niet zo’n angstig type. Als kind of puber was ik bang voor vrij gebruikelijke dingen, zoals:

  1. een hand die mijn enkel grijpt als ik ‘s nachts uit bed stap
  2. slangen
  3. de toorn van mijn moeder
  4. mannen die meer van me willen dan platonisch samenzijn
  5. enge ziekten

Tegenwoordig ben ik bang voor:

  1. kleine donkere ruimtes (na een verkeerd gevallen space cake)
  2. slangen
  3. dat mijn oude moeder iets overkomt
  4. slechts platonisch samenzijn met mijn vrouw
  5. blind worden

Vooral dat laatste houdt sinds enkele jaren – na een derde netvliesloslating- dagelijks bezig. Hoewel ik echt nog geen roodwitte stok hoef aan te schaffen, zijn mijn ogen na zes operaties niet meer fris en fruitig te noemen. Volgens mijn oogarts moet ik mijn netvliezen voorstellen als een bioscoopscherm waar een paar tanks overheen zijn gereden. Naast netvliesloslatingen zorgen bijwerkingen als staar, nastaar, rondvliegende vlekken en chronisch droge ogen voor dagelijkse reminders van de problemen. Maar tegenslag heeft ook zo zijn goede kanten. En dan bedoel ik nog niet eens dat ik tijdens een weidewandeling tegen mijn vrouw roep: “Kijk nou eens! Een kudde pinguïns!” (Die bij nader inzien toch gewoon zwart-witte koeien blijken). Ik heb het dan meer over een toenemende intensiteit. De nare dingen worden intenser, helaas, maar gelukkig ook de goede dingen. In een beetje speelfilm, talkshow of tijdschrift verneem dat je in het hier en nu moet leven. Heel leuk, maar ze vertellen er nooit bij hoe je dat voor elkaar kunt krijgen.  Ik oefen me suf, maar vind het echt retemoeilijk. Zeker voor iemand wier kernkwaliteit anticiperen is. Er staat bij mij werkelijk een file van beren op de weg nog vóór de reis is begonnen. Ik weet zeker dat als ik het zou durven, ik een goede dief zou zijn die in detail alle risico’s van een juwelenkraak in kaart zou kunnen brengen… De omslag naar het hier en nu is dus, kan ik je verzekeren, zowat een dagtaak. Ik krijg des te meer bewondering voor vriendinnen die niet compleet doordraaien met levensbedreigende aandoeningen. Zoals kanker.

Leven in het hier en nu… Na tig jaar relatie hebben mijn lief en ik elkaar over en weer wel zes keer ten huwelijk gevraagd. Originele huwelijksfeesten plannen vonden we best jolig, maar daadwerkelijk het ja-woord uitspreken voelde toch tè claustrofobisch. Maar na het zoveelste ogendebacle werd ook de liefde intenser en zijn we voortvarend aan de slag gegaan met de huwelijksplanning (en als ik straks misschien niets meer zie, moet iemand mij toch de goede kant opduwen!). Dat onze omgeving dat inmiddels niet meer verwachtte, blijkt wel uit de reactie van mijn broer: “Maar jullie zijn toch al getrouwd?”

Leven in het hier en nu. Ik ben er nu bijna, nee echt, bijna! Ik hoef dus niet meer bang te zijn. Toch?