Mijn lief en ik verkeren in de gelukkige omstandigheid dat we gebruik mogen maken van een idyllisch vakantiehuisje van een oudtante. Het is een schattig keuterboerderijtje met rieten dak en omgeven door een flink stuk gras- en bosgrond. Hazen, reeën en konijntjes huppelen af en aan, nauwlettend vanaf een boomtak bespied door de familie buizerd. Als Adam en Eva Nederlanders waren geweest, hadden ze vast hier gewoond. Er is alleen één maar…. ’s nachts ben ik bang. In de stad slaap ik nu eenmaal al twintig jaar veilig op 3-hoog achter. Als mijn vrouw snurkt, kunnen minstens 6 buren dat horen. Maar van een keiharde gil in mijn vakantieparadijsje trekt hooguit de spin in de slaapkamerhoek even een wenkbrauw op. Thuis in de stad verlichten lantaarns elke uithoekje van de straat. Maar na zonsondergang in het bos, is het ècht pikkedonker. Dan klinkt die decoratieve bosuil opeens verdacht veel als een overvaller die ietwat gemaakt een bosuil probeert te imiteren. Het is zeker een coderoep aan zijn handlanger: “De dames liggen op één oor – ik hoor gesnurk- tijd voor actie!” En zo lig ik minutenlang met gespitste oren te luisteren naar geritsel, geklop of gekruip. Ik heb kortom, een levendige fantasie en moet de gevolgen moederziel alleen verwerken. Van vrouwlief, gezegend met een jaloersmakende slaapdrift en doof aan één oor, moet ik het niet hebben. Als ik het echt niet meer hou, ga ik haar schudden: “Hoorde jij ook iets?” Het antwoord weet ik natuurlijk al, maar toch stelt haar “Ga gewoon slapen” me weer een beetje gerust. Angst is nu eenmaal irrationeel. Na drie nachten piekeren is het tijd voor plan B: socializen met de plaatselijke inboorlingen. Want zo’n vaart zal het hier toch niet lopen? Wel dus. De plaatselijke bioboer doet een boekje open over de vele roofovervallen in deze arme veenstreek. En een tripje naar de saphandelaar pakt nog desastreuzer uit. Zijn overbuurman blijkt onlangs vermoord vanwege het –achteraf onterechte- vermoeden dat hij thuis wat spaarcentjes bewaarde. En het wordt nòg erger. Geheel toevallig valt mijn oog een keer op een klein berichtje op de voorpagina van de Volkskrant. Ik lees dat de daders van de dorpsmoord gepakt zijn (goed nieuws!). Maar … dat zij helaas niet gelinkt kunnen worden aan een tot op heden onopgeloste moord in het buurdorp.

Dus, even resumerend. ‘s Nachts slaap ik in een pikdonker bos, op de begane grond, in een stokoud huisje met vijftien uitnodigende ramen, niet naast mijn flink uit de kluiten gewassen vent, maar naast mijn ranke, diepsnurkende echtgenote. Links van ons bos hebben we moord 1, rechts ervan moord 2. Conclusie: met een beetje geluk worden wij slechts overvallen. Tijd voor plan C:

  • Ik heb mijn vrouw bij de plaatselijke bouwmarkt een haakje laten kopen voor op de slaapkamerdeur (al kun je die holle deur bijna omverblazen…).
  • Mijn zakmes ligt paraat onder het matras (oh, was ik maar een padvinder).
  • Als ik naar bed ga, moedig ik mijn vrouw aan vooral nog úren lekker door te puzzelen, ’t is toch vakantie (kan zij meteen mooi de wacht houden)
  • Mijn mobiel ligt naast mijn kussen (al kan ik die zonder bril niet bedienen).
  • En de grootste geruststeller: oordoppen! (Wat je niet hoort, is er ook niet!)

Ik slaap weer als een engel. Ik zei het al: angst is irrationeel.