“Vind je jongens nu opeens helemaal niet leuk meer?” vroeg mijn moeder verongelijkt, nadat ik op mijn 19e al mijn moed bijeen had geraapt om uit de kast te komen. Om deze vraag voor eens en voor altijd te beantwoorden, legde ik uit dat ik nog nooit verliefd was geweest op een jongen, of nou ja, een half keertje dan als ik de twee weken durende crush op een Nieuw-Zeelandse vriendje mee moest rekenen. Maar die kortstondige adoratie was grotendeels ingegeven door het bamboerokje waarin hij imposant stampend een Maori-dans ten beste gaf.
Maar twee decennia later gebeurde het toch. Ik werd verliefd op Joris. Hoe kon dat nou gebeuren? Ik kon er echt niks aan doen: ik kon ‘m wel opvreten! Was het zijn eigenwijze blik? Of waren het zijn oren? Of het feit dat hij zomaar uit het niets zo lekker pittig kon bijten? Of dat hij ook zo goed kon stampen? Dat hij geen ballen had – door mijn toedoen- en bovendien een hangoorkonijn was, was voor mij bijzaak. Het maakte in ieder geval wel dat mijn lief, die nogal jaloers aangelegd is, de zaak rustig op z’n beloop liet.
Gelukkig zocht een bevriende lesbische dierenfluisteraarster in opleiding een proefkonijn om eens een goede mens-tot-dier-conversatie mee te oefenen. Kon ze meteen checken of mijn verliefdheid niet stiekem een beetje wederzijds was. Ook Snuffie, Joris’ officiële gezellin werd aan de tand gevoelt. Zomaar een citaat uit haar gespreksverslag: “Ik zou wel meer wortels willen”. Joris blijkt ook openhartig op de divan: “Ik ben een leuke man. Zo’n soort man dat vrouwen als hun broertje zien. Ik kan mezelf goed vermaken en ben onafhankelijk, kan ook goed voor mezelf opkomen en toch ruimte geven. Ik ben wel de gevoelige van ons twee, maar dat is niet erg, dan krijg ik lekker veel aandacht.” En hoewel Joris mij een leuke vrouw blijkt te vinden, is zijn ruimdenkendheid toch beperkt: verliefd worden doet hij alleen op mede-konijnen. Dat krijg je met zo’n klein hersenpannetje.

Inmiddels is Joris 9,5. Zo goed als antiek voor een konijn. Zo’n lange tijd heeft geen enkele voorganger het bij ons volgehouden. Snuffie is al minstens 4 jaar geleden dood ter aarde gestort en opgevolgd door een stuk jongere play-bunny. Maar Joris houdt stug vol. De keerzijde is dat hij altijd wat mankeert. Gasbuiken, keutelverstoppingen, chronisch ontstoken ogen of pusoren: hij draait zijn poot er niet voor om. Om de dag naar dierenarts voor een prik, uren lang knuffels toedienen, een open-oor-operatie en veel lekkernijen voeren. We zijn er maar druk mee. Is dat een lesbo-ding? Een bevriende nicht vindt het überhaupt maar onzin dat we met een konijn naar de dierenarts gaan (laat staan in therapie!).
Officieel is onze man inmiddels uitbehandeld. Een paar weken terug zat ‘ie helemaal scheef en draaide moeizaam rondjes in de keuken, duidelijk de weg kwijt. We vonden het moment gekomen om ‘m uit zijn lijden te verlossen en planden een afspraak bij de dierenarts voor de volgende dag. Maar daar was Joris het niet mee eens: verwoed rent hij nu steeds enthousiaster zijn rondjes door de keuken en eet alsof zijn leven ervan afhangt. Duidelijk geen euthanasiemateriaal meer. Joris zie ik er nu wel voor aan om de konijnenhonderd te halen. Alles voor “lekker veel aandacht.” En ik vind ‘m nog steeds om op te vreten.