Vroeger kreeg ik nog wel eens de vraag of ik een mannenhaatster ben. Voor zover ik mij kan herinneren is het alweer even geleden dat deze vraag op mij afgevuurd werd. Waar dat door komt, weet ik niet. Zelf ben ik een groot voorstander van directe vragen. “Ben je eigenlijk nog wel gelukkig met je vrouw?” “Zeg, jij probeerde toch af te vallen? Lukt dat niet of ben je ermee gestopt?” “Zou je opnieuw kinderen nemen als je het over zou mogen doen?” Directe vragen schelen een hele hoop gedoe en omwegen. Mijn ervaring is dat je er bij mannen beter mee wegkomt dan bij vrouwen. Bij deze laatste soort moet je eerst vragen hoe het met ze gaat, vervolgens aandachtig en actief naar het antwoord luisteren (op de juiste momenten hummen en knikken en vooral geen ongevraagd advies geven!!), om daarna stukje bij beetje via zijwegen richting doelvraag te manoeuvreren, die je dan alsnog in bedekte termen moet stellen. Met het gevaar dat je vraag geheel verkeerd begrepen wordt en je weer opnieuw moet beginnen.
Maar goed, terug naar de vraag of ik als lesbo een mannenhaatster ben. Eerlijk gezegd vind ik dat een hele vreemde vraag. Ik heb hem bijvoorbeeld nog nooit aan een heteroman horen stellen. “Zeg, je hebt geen seks met mannen hè? Haat jij ze soms?” Maar misschien is uw ervaring anders, dan hoor ik het graag. Ik begrijp niet zo goed waarom mijn seksuele voorkeur iets te maken heeft met een vermeende afkeer van één der seksen. Dat vind ik net zo’n vreemde aanname als dat ik verliefd zou kunnen worden op elke vrouw.
Nou vind ik overigens wel dat er in de categorie ‘mannen’ veel irritante exemplaren rondlopen. Maar over het andere geslacht heb ik precies dezelfde mening. Sterker nog, in de dagelijkse (werk)omgang kan ik het over het algemeen meer dan prima vinden met de heren. Naast directe vragen kom je bij de meesten ook goed weg met directe kritiek. Zo heb ik een mannelijke klant die mij tot wanhoop dreef met slechte stukken de opbouwende kritiek gegeven: “Bert, het lijkt alsof je stuk geschreven is door een driejarige debiel.” Ik zag hooguit even een gezichtsspiertje vertrekken, maar verder kwamen er geen gênante scènes met slaande deuren of zo. Erg sympathiek van hem! Ook is er een man waarmee ik regelmatig hele prettige conversaties voer. We houden ons allebei keurig aan de beurtwisselingsetiquette, zoiets als:
Ik: “Ik kan ff niet harder lopen dan dit. Ik ben nogal stijf van de triatlon van gisteren”.
Hij: “Oh. Ik heb gister 15 km hardgelopen.”
Ik: “Ik had een persoonlijk record; dat maakt de stijfheid natuurlijk wel weer goed.”
Hij: “Ik had er niet voor getraind, dus dat voelde ik wel haha.”
Ik: “Volgende keer doe ik toch maar weer een wetsuit aan.”
Hij: “Ik had niet eens renschoenen, dus ik heb op oude gympies moeten lopen.”
Enzovoort enzovoort. Hebben we allebei fijn ons verhaal kunnen doen.
Een ander populair misverstand is dat lesbiennes te lelijk zijn om een man te krijgen. Dit lijkt me om meerdere redenen bijzonder ongeloofwaardig. Zo zijn er talloze lelijke heterovrouwen die aan de man zijn; het bewijst maar weer eens dat op ieder potje een dekseltje past. Bovendien is het concept ‘schoonheid’ natuurlijk zwaar relatief. Zo ziet mijn vrouw mij bijvoorbeeld het liefst met flinke bossen haren onder de oksels, terwijl ik zelf zo snel mogelijk naar het scheermes grijp. De meest duidelijke reden waarom elke lesbienne een man kan krijgen is een simpele statistische. Uit een onderzoekje van psychologen Clark en Hatfield blijkt dat drie op de vier mannen “Ja!” zegt op het aanbod van een vrouw om seks te hebben. Van een vrouw die ze hooguit enkele minuten daarvoor hebben leren kennen! Bij een vergelijkbaar verzoek door mannen hapt geen enkele vrouw toe. Dat is nòg een reden waarom ik geen mannenhaatster ben: mannen doen over veel dingen tenminste niet zo moeilijk.