Ik kan vurig wensen. Zo verlang ik al jaren naar mijn eigen landgoed. Het optrekje mag best bescheiden zijn, als de grond eromheen maar onmetelijk is. Verder wens ik de 50 meter schoolslag onder de 40 seconden te zwemmen. Ik weet dus best wat het is om iets graag te willen. Maar een kinderwens… die heb ik niet. Nooit gehad ook. Dat ik hem nog zal krijgen, lijkt mij onwaarschijnlijk. Biologisch zou het nog kunnen, maar verder ben ik vooral opgelucht dat ik ‘slechts’ voor twee hangoorkonijnen hoef te zorgen. Ongeveer vanaf mijn achtste – toen ik hevig verliefd werd op mijn tentcheffie van een christelijk meisjeskamp- heb ik het huwelijk mentaal afgeschreven. Tenzij ik natuurlijk ten huwelijk gevraagd zou worden door Willem-Alexander, want dat was nu eenmaal een leeftijdgenoot, of door één van de drie musketiers (hun geitensikjes, roesjesbloesjes  en degenkunsten vond ik woest aantrekkelijk). Ook kinderen krijgen was voor mij iets van een andere planeet. Kinderen baren deden lesbische vrouwen nu eenmaal niet, tenzij ze pas op latere leeftijd het ‘licht’ zagen en ondertussen al een gezinnetje opgebouwd hadden. Ik vond dat prima. Geen gedoe. Tot zo’n 20 jaar geleden. Een lid van mijn volleybalteam was een van de eersten die zich al dan niet kunstmatig liet insemineren. Op het jaarlijkse lesbische paasvolleybaltoernooi in Keulen moest de hele Duitse goegemeente daarover acuut  ‘diskutieren’ of dat nou wel kon en of wij als team nog wel mee mochten doen. Want zwanger zijn was natuurlijk wel heel erg heterogedrag kopiëren! Maar een jaar later stonden zelfs de Keulse potten massaal in de rij voor de spermabank. Daarna was het hek van de dam. Zo goed als àl mijn lesbische vriendinnen werden broeds en er ontstond een ware lesbo-babyboom. Nog steeds kriebelde het niet bij mij. Of eigenlijk wel. Een irritatiekriebel. Want opeens zat ik op oudejaarsavond alleen met mijn lief aan tafel omdat de rest van mijn disgenoten massaal hun kinderen naar bed moesten brengen (één moeder per kind was kennelijk niet genoeg). En de jaarlijkse hilarische kampeeruitjes werden om zeep geholpen door Kip-caravans en opvoedkundige ouderpraat. Begrijp me overigens goed. Ik heb niets tegen kinderen. Ik mag zelf veel plezier beleven aan mijn twee neefjes. Ik hou dat soms wel een hele middag vol. Vroeger was het not done, maar de laatste tijd hoor ik ouders mij wel eens schielijk toefluisteren: “Ik hou natuurlijk ontzettend veel van Kimberly of Draco, maar als ik het van tevoren had geweten, was ik er niet aan begonnen…”

Toen ik klein was, sprak mijn moeder met enig misnoegen over oudere kinderloze dames. Het ging altijd gepaard met een bepaalde blik en de tekst “Dan kun je toch wel merken dat zij geen kinderen heeft.” Vaak had de betreffende oude vrijster wel een hond ofzo naar wie ze moederlijk blikte. Ik stel me voor -helaas voor mijn moeder- dat dit zo ongeveer dezelfde vertederde blikken zijn die ik nu op mijn twee hangoren werp. Ik noem ze speciaal voor haar mijn furry baby’s  (succes gegarandeerd!). Ze trok me als klein meisje steevast boven een kinderwagen om het schattigheidsgehalte te beamen van willekeurig welke baby. Ik vond het vreemd dat mijn broer dat nooit hoefde. Hìj heeft nu twee kinderen. Nu ik mijn landgoed nog. Met een groot grasveld voor mijn furry baby’s.