Ik was eens in Groningen voor een Roze-zaterdagweekend. Dat was heel educatief. Zo heb ik nooit geweten dat de Groningse hoofdstad zo ‘n broeinest van diek’n was. Op zaterdagavond was niet alleen de hele schouwburg gevuld met dames-dames, ook twee vrouwenfeesten zaten stampend vol en bij terugkomst in ons hotel bleek ook de bar overgenomen door ‘zusters’. Ik vond het daarom onbegrijpelijk dat de plaatselijke Beverwinkel op zondag gesloten bleek. Hadden ze mooi de hele tent leeg kunnen laten kopen! Misschien zijn buitensportwinkels wel alleen mijn persoonlijke fetish (NOT!). Zodra ik er een zie, schiet er een dosis gelukshormoon door mijn aderen en stort ik mij richting ingang. Kleding, verrekijkers, kampeerspullen, petjes, maar vooral multifunctionele lichtgewicht gadgets hebben mijn warme belangstelling. Werd ik vroeger nog hartelijk uitgelachen op de middelbare school als ik snelbinders op mijn verlanglijstje zette, tegenwoordig geven mijn vriendinnen me zonder pardon multi-tools of houthakkershemden. En net als ik denk dat ik zo’n beetje alles heb wat een mens mogelijk nodig kan hebben in de stad of in de bush, duikt er opeens een catalogus op van een nieuw kek merk. Niet dat ik dan direct toegeef aan mijn consumentisme, of daar de financiële middelen voor heb, nee, ik doe keurig een gekleurd plakkertje bij elk gewenst item. Al kan ik beter plakkertjes zetten bij artikelen die ik niét wil hebben.

Wie nu overigens denkt dat ik een stoere durfal buitensporter ben, oké dan, butch ben, komt bedrogen uit. Al maanden voor een kampeervakantie in Australië deed ik het in mijn broek van alle giftige slangen die mogelijk in mijn slaapzakje konden kruipen. En er ligt al 10 jaar een ongebruikte waterfilter in de kast, omdat ik ‘s nachts altijd braaf op een plek slaap waar gewoon een kraan aanwezig is. Ik bedoel maar: met mij zul je de Derde Wereldoorlog niet winnen.

Toch heb ik ook zo mijn goede momenten. Ik zag vandaag opeens een jonge dode merel op straat liggen. Bij nadere inspectie bleek het een gierzwaluw. Och gossie, hij leeft nog. Paniek! Wat te doen? Van het idee het beestje al dan niet met bloedende wond vast te moeten pakken, kreeg ik al weke knieën. Nog erger: ik keek rond of ik niet ergens een geschikte man zag om het karweitje voor mij te klaren! Maar helaas, geen enkel geschikt exemplaar in de buurt. Mijn vrouw durfde óók niet. We zijn toen maar eerst bier gaan halen (biologisch, dat wel). Mijn vrouw wist bij terugkomst te vertellen dat je gierzwaluwen de lucht in moet gooien, omdat ze bij gebrek aan de juiste pootjes niet in staat zijn om weg te vliegen vanaf de grond. Niet dat één van ons het beestje überhaupt op durfde te pakken, laat staan door ons toedoen te laten crashen op de straatstenen. “Zoek maar een grasveld om het toch te proberen”, luidde het advies van de in wanhoop gebelde dierenambulance, “en als dat niet lukt, dan komen we hem wel bij jullie thuis ophalen.” Toen heb ik toch maar het beestje opgepakt. Het koppie, het snaveltje en de veertjes waren prachtig en zoo zacht! Het vogeltje stribbelde lichtjes tegen. Gelukkig was het grasveld tot twee keer toe zacht genoeg. De dame van de dierenambulance – ‘familie’ vermoed ik, verzekerde mij dat het goed zou komen. Het was een mooie outdoor-ervaring. En dat in hartje Amsterdam.