Mijn vrouw is alweer een tijdje toegetreden tot het leger der loonslaven, maar jarenlang werkte ze ook vanuit haar eigen toko. We hebben één keer samen een grote opdracht aangenomen in een nogal christelijk dorp. Van dat laatste was ik mij eerst niet zo bewust: ik vroeg me vooral af of wij het sámen tot een goed collegiaal einde zouden brengen. Veel dingen kunnen we namelijk heel goed, maar met elkaar
samenwerken is er niet bepaald een van. We zijn we allebei een tikje te eigenwijs en een boel te dominant. Zo gaat een tweepersoonsmatras door een nauw Amsterdams trappenhuis omhoog sjouwen gepaard met veel gekibbel, gekat en gecommandeer. We proberen het – we zijn verdorie allebei gespreksvaardighedentrainer – wel volgens het boekje te doen. Staan we daar in een winderige voordeuropening met dat ding, vraagt mijn lief irritant gestructureerd: “Hoe gaan we dit aanpakken?” Ik –nog steeds op de tocht staand aan het voeteneinde van het matras – doe een praktische poging: “Nou gewoon, jij pakt ‘m daar vast en ik hier en dan duwen we ‘m omhoog.” Zij, verborgen achter het matras op de trap: “Hoe bedoel je dat precies?” Ik, al ongeduldig duwend: “Doe nou maar!”  Waarop we een tot mislukken gedoemde poging ondernemen en de hele discussie opnieuw beginnen, nèt terwijl ik het volle matrasgewicht op mijn nek draag, met één voet half op de tweede tree balanceer en me met één arm als een aap aan de trapleuning vastklamp. Alle tekst die we daarna nog twee etages uitwisselen, gaat steeds een tikje geïrriteerder en luider.

Toch ging het professioneel samenwerken in het christelijke dorp ons goed af. Ik geloof dat we elkaar in een maand of vijf slechts één keer in de haren zijn gevlogen. Uit de kast waren we er niet, laat staan als setje. Tot op heden doe ik er nog steeds opdrachten, maar ik krijg het maar niet over mijn lippen dat ik inmiddels getrouwd ben met “oh ja, een vrouw” en “ach nu ik er zo aan denk kennen jullie haar wel…” Desondanks heb ik onlangs een mini-stapje gezet. Tijdens een gesprek met een medewerkster viel haar oog op mijn gebreide smartphonehoesje in de vorm van een slang. ”Wat leuk!” riep ze. “Homemade”, reageerde ik met trots. “Zelf gemaakt?” Tsja, en nu? Ach wat ook! “Nee, dat heeft mijn … vriendin gemaakt.” In een fractie van één seconde toch maar even het woord ‘vrouw’ gecensureerd, dat klinkt zo definitief. Vervolgens ontstaat het voor menig homo/lesbo bekende innerlijke proces:

  • ik probeer zo casual mogelijk de conversatie te vervolgen, al voel ik het bloed naar mijn hoofd stijgen.
  • ik probeer de dame tegenover mij niet al te doordringend aan te kijken; ze moet vooral niet het idee krijgen dat ik wat van haar moet.
  • terwijl ik naar haar luister en zelf nog samenhangend probeer te praten, zie ik in gedachten het nieuwtje al als een lopend vuurtje door de organisatie gaan
  • ik speur zo onopvallend mogelijk bij mijn gesprekspartner naar veranderingen in mimiek, houding of tekst. Ik bemerk er geen in dit geval.
  • ik begin me af te vragen of ze wel doorheeft dat ik zojuist met deur en al uit de kast gevallen ben. Denkt ze misschien dat ik met “mijn vriendin” een gewone vriendin bedoel, zoals heterovrouwen dat wel vaker zeggen?

Het bloed zakt langzaam weer uit mijn hoofd. En toch voel ik me ook een beetje teleurgesteld.