Ik weet dat naar verhouding veel ´zusters´ vegetariër zijn. Ik, daarentegen, ben een echte carnivoor. Niet dat ik iedere dag lappen vlees naar binnen moet werken hoor, maar geheel vleesloos door het leven gaan zal me nooit lukken. Een vegabestaan heb ik ooit, in een weddenschap met mijn vrouw, twee weken volgehouden, maar daarna kreeg ik toch ècht nare, vooral psychische ontwenningsverschijnselen. Mijn lichaam heeft gewoon af een toe een ‘shotje’ malsgebraden kippenpoot, gemarineerde biefstuk of met knoflook ingelegde lamsbout nodig. Wel alleen maar biologisch; er zijn tenslotte grenzen!

De laatste keer dat ik mijn vrouw – wèl al sinds pubertijd vegetariër- vlees zag eten was volkomen ongepland. Het was in een namiddag voor kerstavond, op het eiland La Palma in de keuken van onze authentiek gastvrije Canarische buurvrouw. We waren koud uit het vliegtuig zowat haar keuken ingesleurd. Uit (kerst)beleefdheidsgevoel èn omdat onze Spaanse woordenschat nog onvoldoende omhooggeborreld was, belandden wij achter een bordje huisgemaakte kippensoep. Héérlijk! Voor mij dan. Maar het werd nóg mooier. Want daar zag ik ‘m staan in een hoek: de nationale lekkernij! Een grote varkenspoot van de meest exclusieve Iberische ham, aan een houten stellage gespiest. Ook wel liefkozend pata negra (zware poot) genoemd, gemaakt van loslopende varkentjes die zich tegoed doen aan kilo’s sappige eikeltjes. Af en toe zag ik de buurvrouw mooie dunne plakjes van de poot afsnijden, die in het bedelende bekje van haar jack-russelterriër verdwenen. Stik jaloers was ik op dat mormel! Gelukkig bood de gastvrouw weldra óók ons een bordje aan. Mijn vrouw – inmiddels aangesterkt door haar eerste bordje kippensoep in 20 jaar –  was dit keer wèl bij machte om in vloeiend Spaans (“No! No!”) te bedanken.

Weer thuisgekomen in Nederland probeer ik altijd zo lang mogelijk dat  inspirerende vakantiegevoel vast te houden. Daarom bestelde ik in een spontane opwelling vanuit Spanje een complete varkenspoot, inclusief houten stellage en authentiek lang snijmes om de benodigde superdunne hamplakjes te snijden. De poot arriveerde per post, met hoef en al, in een gigantische doos, zorgvuldig ingepakt als een kunstschat. Uit piëteit stalde ik in overleg met mijn vrouw de negen kilo wegende vleesklomp uit het zicht, in de logeerkamer, keurig afgedekt door een fleurig picknickkleedje. Die verhuizing bleek eigenlijk nogal overbodig, want vervolgens heeft zij eigenhandig wekenlang àl ons bezoek als een doorgewinterde toeristengids langs de poot geloodst.

Er kwam overigens geen einde aan die poot. Mijn hele vriendenkring moest er aan te pas komen om de klus te klaren. Daarna was ik voor een hele lange tijd genezen van mijn pata-negralusten. Dat was maar goed ook, want ik had een aardige RSI opgelopen van al die dunne plakjes snijden met dat authentieke lange mes. En sommige activiteiten moet je toch gewoon aan de vakantie overlaten.